Hoewel ik altijd affiniteit heb gehad met de laatste levensfase en de dood, ben ik er ook jarenlang bang voor geweest. Niet voor de dood op zich, maar wel om zelf jong te overlijden. En eigenlijk ging het er dan niet eens zozeer om dat ik bang was (of ben) om te sterven, maar meer om mijn kinderen zo jong al achter te moeten laten. Mijn angst voor de dood was ontstaan toen ik op 19-jarige leeftijd nachtdienst draaide op een afdeling voor ouderenzorg in een psychiatrisch ziekenhuis. Nadat ik daar stage had gelopen was ik gebleven als weekend- en vakantiekracht en dat beviel me uitstekend. Natuurlijk is het inherent aan werken met ouderen op een verblijfsafdeling dat bewoners daar uiteindelijk overlijden, logisch toch! En zo kwam het dat op een bepaald moment ook de laatste levensfase aanbrak van een cliënte waar ik ‘iets’ mee had, en zij met mij. Hoewel ze al wekenlang steeds verder achteruit ging en het overlijden in de lijn der verwachting lag, was ik er inmiddels van overtuigd dat ze pas zou overlijden als ik nachtdienst had. Toen ik dat de eerste keer dacht en uitsprak zou dat pas over een week zijn, maar ik wist gewoon dat ik gelijk had.

En zo kwam het dat ik een week later begon aan de nachtdiensten. Hoewel de nachten altijd voorspelbaar en rustig verliepen, kon ik die nacht de rust nergens vinden. Op voorhand had ik me voorgenomen dat ik bij de cliënte zou gaan zitten. Er was geen familie bij haar betrokken, ze was helemaal alleen. En hoewel ze bij leven en welzijn voor behoorlijk wat reuring kon zorgen, wilde ik er toch voor haar zijn. Maar toen de nacht was aangebroken kon ik het niet opbrengen om bij haar te zitten. Onrust gierde door mijn lijf, ik was hartstikke bang, al wist ik niet waarom. De bewuste cliënte was inmiddels buiten bewustzijn, dus vertelde ik mezelf dat het voor haar toch niks meer uitmaakte. Ze merkte toch niet of ik er wel of niet was, zo praatte ik mijn eigen schuldgevoel goed. De uren kropen voorbij, op de afdeling was het rustig, maar in mijn lijf gierde de adrenaline alle kanten op. Ik voelde de aanwezigheid van de dood, maar ik kon het op geen enkele manier bewijzen. En hoewel ik de nachten normaal gesproken zonder problemen doorbracht aan de PC en TV, kon ik deze nacht nergens mijn aandacht bij houden. Rond half vier in de nacht liep ik voor de zoveelste keer van de woonkamer naar kantoor en gewoontegetrouw wierp ik een blik op de gang waar de slaapkamers van de cliënten waren. En daar zag ik hem staan; een gedaante in een lange, bruine jas, bij de kamer van de cliënte die op sterven lag. Het was in een fractie van een seconde, en weg was hij weer. Ik ben nog nooit zo bang geweest. Ik wist zeker dat het ‘de dood’ was die mevrouw kwam halen. Ik had hem gezien, maar wie zou me geloven? Niemand toch? De rest van de nacht durfde ik eigenlijk niet meer langs de slaapkamers te lopen, bang dat ik ‘hem’ weer zou zien. Maar het moest toch. En toen ik eindelijk al mijn moed verzameld had en heel voorzichtig bij de bewuste cliënte een blik naar binnen wierp, bleek ze inderdaad te zijn overleden. Die nacht besloot ik dat ik dit nooit meer wilde meemaken en blokkeerde ik onbewust mijn heldere zintuigen.

In de daarop volgende jaren ging ik met andere doelgroepen werken. In het begin vertelde ik niemand over mijn ervaring; ze zouden me tenslotte absoluut voor gek verklaren! De enkeling die ik wel in vertrouwen nam keek me wezenloos aan, begreep er weinig (om niet te zeggen helemaal niks) van en kon me ook niet helpen. Dus zweeg ik. In 2012 kreeg ik echter opnieuw een baan in de ouderenzorg en kwam ik ook weer in aanraking met de dood. Hoewel in de ervaring van 15 jaar daarvoor nooit was vergeten, was ik inmiddels ook niet meer zo bang als toen. Naast mijn werk als verpleegkundige had ik inmiddels ook al diverse opleidingen gevolgd op het gebied van natuurgeneeskunde, energetisch werk en bewustwording. Tijdens een van de processen waarin ik werd begeleid door een van mijn collega’s, kwam de herinnering van de situatie van 1997 naar boven. De nachtdienst waarin ik de dood letterlijk had zien staan. En in plaats van de angst weg te drukken, kon ik hem nu toelaten. Ik kon zelfs in gesprek met hem gaan en hem vertellen hoe bang ik was geweest. Hoewel het voor sommigen misschien bizar zal klinken en moeilijk voorstelbaar zal zijn, kreeg ik ook reactie terug. Er ontstond een heel gesprek tussen mij en de dood, waardoor ik mijn angst volledig los kon laten. Ik kreeg zowaar begrip en compassie voor de dood en de moeilijke taak die hij heeft. En hoewel veel mensen bang zijn voor de dood, boos zijn op de dood en sommigen zelfs doen alsof hij niet bestaat, ontstond er bij mij een dieper begrip en respect voor de dood. Vanaf toen wilde ik vooral werken met mensen in de laatste levensfase en werden mijn ‘heldere zintuigen’ in de loop der jaren steeds sterker. Ik leerde om ze te gebruiken in plaats van te blokkeren. Dat heeft zonder twijfel mijn leven én mijn relatie met de dood definitief veranderd.

Hoewel het nog een hele tijd heeft geduurd voordat ik precies wist hoe ik de reguliere zorg met de alternatieve zorg kon combineren, heb ik nu mijn weg gevonden. Al mijn ervaring uit mijn verpleegkundige carrière combineer ik in mijn praktijk met het natuurgeneeskundige, energetische aspect. Een prachtige combinatie van reguliere en alternatieve heelkunde. Want dat is wat het is; in de laatste fase kun je fysiek misschien niet meer genezen, maar op energetisch / zielsniveau kun je zeker nog wel helen. Het is een voorrecht om daar deel van uit te maken, om mensen te begeleiden in dat laatste stukje, om ook aandacht te hebben voor familie en vrienden die ernaast staan en hun aan de hand te pakken, letterlijk en figuurlijk. De angst voor de dood mag er zijn. Het is ook helemaal oké om je verdrietig, boos, verward, dankbaar, verdoofd of strijdlustig te voelen. En dat er ook ruimte is voor liefde, vertrouwen en overgave. Het kan allemaal tegelijk en naast elkaar bestaan. Als je dat kunt ervaren is dat heel mooi en een verrijking voor alle betrokkenen. Dat gun ik iedereen in de laatste fase. Dat alles welkom is, dat alles naast elkaar mag bestaan en je samen toe kunt leven naar het definitieve afscheid, op een manier die bij iedereen past.

Begrijp me goed, ik weet uit ervaring dat dit niet altijd lukt. Soms gaat het nou eenmaal niet zoals je zou willen. We kunnen niet alles controleren, hebben niet alles in de hand. Maar je kunt er wel naar streven om ook in minder ideale omstandigheden toch met respect en waardigheid te handelen. Dat verdient iedereen, hoe dan ook, en daar zal ik altijd mijn uiterste best voor doen.